Wanneer je aan een orthodontische behandeling begint is je gebit over het algemeen 'in balans'. Er is een evenwicht tussen je tanden en kiezen, je tong, je lippen en je wangen. Belangrijk bij dit evenwicht is de manier waarop je boven- en onderkaak op elkaar passen. Dit bepaalt tenslotte de manier waarop je boven- en ondertanden met elkaar in contact staan.
Redenen behandeling
Je gebit is dus gevormd naar de verschillende krachten die erop inwerken. Er zijn verschillende redenen waarom het bestaande evenwicht niet naar wens is. Twee voorbeelden:
- je kaken staan niet goed ten opzichte van elkaar (meestal aangeboren)
- je hebt door een ongeluk een tand of kies verloren, waardoor de aangrenzende tand uit balans is geraakt en scheef is gaan staan.
De orthodontist grijpt in op het bestaande evenwicht van je gebit. Het is logisch dat ook in de eindsituatie de tanden en kiezen opnieuw in evenwicht moeten staan.
Keuzes orthodontist
Om deze gewenste eindsituatie te bereiken maakt de orthodontist een keuze uit de verschillende types beugels die er zijn.
Deze keuze van de orthodontist hangt af van:
- de 'afwijking' die je hebt
- je leeftijd bij het begin van de behandeling
- het gewenste eindresultaat
- de mate waarop je meewerkt aan de behandeling